Code Annoté du Crédit à la Consommation
JURISPRUDENCE DE L'ADMINISTRATION
MINISTERIEEL BESLUIT 25 JUNI 2001 HOUDENDE DOORHALING VAN DE INSCHRIJVING VAN EEN RECHTSPERSOON IN TOEPASSING VAN ARTIKEL 107 VAN DE WET VAN 12 JUNI 1991 OP HET CONSUMENTENKREDIET.

De Minister van Economie,

 

Gelet op de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1992, 4 augustus 1992, 8 december 1992, 11 februari 1994, 6 juli 1994, 5 juli 1998, 30 oktober 1998, 11 december 1998, 11 april 1999 en door het koninklijk besluit van 20 juli 2000, inzonderheid op de artikelen 5, 11, 31, 64 en 107,

 

 Gelet op het ministerieel besluit van 10 december 1991 waarbij ambtenaren aangewezen worden om de tekortkomingen en de inbreuken op de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet op te sporen en vast te stellen, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 10 janvier 1996 en 30 december 1996,

 

Gelet op de inschrijving nr. 129.655, toegestaan aan de vennootschap ... op 31 janvier 1995, overeenkomstig artikel 77, § 1, 2°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet,

 

Gelet op het Proces-verbaal van Verhoor van 20 oktober 1998 met de heer ..., afgevaardigd bestuurder van de vennootschap ...,

 

Gelet op Pro-Justitia nr. 99/175 van 1 juni 1999,

 

Gelet op het Proces-verbaal van Verhoor van 10 mei 2000 met de heer ..., afgevaardigd bestuurder van de vennootschap ...,

 

Gelet op Pro-Justitia nr. 00/44 van 29 mei 2000,

 

Gelet op het bericht van 12 februari 2001 vanwege de Nationale Bank van België met gegevens inzake de registratie in het bestand van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van enkele in het onderzoek opgenomen consumenten,

 

Gelet op de brief van 14 februari 2001 waarbij aan de vennootschap ..., overeenkomstig artikel 107, §2, van de wet, kennis werd gegeven van de grieven, van de mogelijkheid om het dossier dat werd samengesteld te raadplegen, van de termijn van 2 weken om een verdediging voor te dragen en van het recht te verzoeken om gehoord te worden,

 

Gelet op het feit dat betrokkene niet inging op bovengenoemde mogelijkheid het dossier te raadplegen, een verdediging voor te dragen of gehoord te worden,

 

* * *

 

Overwegende dat ingevolge het onderzoek van 10 maart 2000 inzake de activiteiten van kredietbemiddeling van ..., aan de betrokken kredietgevers de commissieborderellen van de laatste drie jaren werden opgevraagd om na te gaan of er consumenten konden weerhouden worden waarbij de mogelijkheid tot kredietsplitsing bestond.

 

Overwegende dat kredietsplitsing betekent dat het door de consument gevraagde kredietbedrag door de kredietbemiddelaar wordt opgesplitst over twee of meerdere kredietovereenkomsten, gesloten met verschillende kredietgevers.

 

Overwegende dat zeven consumenten werden weerhouden die meer dan één kredietovereenkomst sloten met bemiddeling van ...

 

* * *

 

Overwegende dat 24 consumenten steekproefsgewijs ondervraagd werden inzake het opleggen van de schuldsaldoverzekering of -verzekeraar;

 

* * *

 

Overwegende dat een bevoegd ambtenaar een verhoor verrichtte op 10 mei2000 inde maatschappelijke zetel te ... van ...  met de heer ..., afgevaardigd bestuurder van deze vennootschap, waarbij hij gehoord werd inzake de dossiers van de zeven weerhouden consumenten inzake kredietsplitsing en de verklaringen van de 24 steekproefsgewijs ondervraagde consumenten inzake opgelegde schuldsaldoverzekeringen of –verzekeraars.

 

* * *

 

Overwegende dat als eerste grief wordt vastgesteld dat bij alle zeven weerhouden dossiers die werden opgenomen in het Pro-Justitia 00/44 van 29 mei 2000, werd vastgesteld dat de vennootschap ..., in strijd met artikel 64, § 1 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, naliet de noodzakelijke inlichtingen bedoeld in artikel 10 van deze wet verstrekken.

 

Overwegende dat artikel 10, eerste lid van deze wet, bepaalt dat de consument die een kredietovereenkomst aanvraagt, op verzoek van de kredietgever of de kredietbemiddelaar, de juiste en volledige informatie moet verstrekken die de kredietgever of de kredietbemiddelaar noodzakelijk achten om de financiële toestand en de terugbetalingsmogelijkheden van de consument te beoordelen.

 

Overwegende dat ..., bij haar kredietbemiddeling, voor de zeven weerhouden consumenten …, de door haar aangezochte kredietgevers niet in kennis stelde van de reeds voordien, door haar bemiddeling tot stand gekomen kredietovereenkomsten.

 

Overwegende dat, bovendien, ... op de kredietaanvragen van bovengenoemde consumenten  expliciet, onder de rubriek “autres crédits en cours” of “crédits en cours”, vermeldt : “pas de crédits en cours”, respectievelijk, “néant”, alhoewel deze consumenten reeds voordien een kredietovereenkomst sloten ingevolge de bemiddeling van deze vennootschap.

 

Overwegende dat uit vijf van de bovengenoemde dossiers blijkt dat de consument in een periode van minder dan 6 maanden, in twee gevallen zelfs in minder dan 15 dagen, het voorgaande door ... bemiddelde kredietbedrag kreeg toegewezen.

 

Overwegende dat deze opzettelijke verzwijging van gekende kredietovereenkomsten, een verzwijging betekent van informatie die kredietgevers noodzakelijk dienen te achten om de financiële toestand en de terugbetalingsmogelijkheden van de consument te beoordelen.

 

Overwegende dat, in het verhoor van 10 mei 2000, de heer ..., afgevaardigd bestuurder van ..., in bovenstaande gevallen, onder meer verklaart dat hij geen centraal bestand heeft en daarom ook niet kan nagaan of betrokken consumenten reeds om zijn bemiddeling verzocht hebben en dat hij niet nagaat of de mededelingen van de consumenten overeenstemmen met de werkelijkheid.

 

Overwegende dat het onwaarschijnlijk is dat een kredietbemiddelaar over geen enkel spoor beschikt inzake de door hem bemiddelde overeenkomsten, te meer omdat de commissie die betaald wordt door de kredietgever, gespreid wordt over de duur van de overeenkomst.

 

Overwegende dat de heer ... in het verhoor van 10 mei 2000 verder verklaart dat in twee gevallen het kredietbedrag van de tweede lening bestemd was voor een schoonbroer, respectievelijk, de werkloze zoon en dat, in een ander geval, de consument een belangrijke erfenis te verwachten had, ging bijwerken en beloofde alles vlug terug te betalen.

 

Overwegende dat deze verklaringen inzake de bestemming van de lening geen beoordelingselement inzake de kredietwaardigheid van de consument die de overeenkomst afgesloten heeft, kunnen uitmaken.

 

Overwegende dat derhalve de inbreuk op artikel 64, § 1 van de wet mag weerhouden worden.

 

Overwegende dat de burgerlijke sanctie van artikel 99 van de wet van toepassing is op inbreuken op artikel 64, §1, van de wet.

 

* * *

 

Overwegende dat als tweede grief wordt vastgesteld dat in twee van de zeven bovengenoemde dossiers, met name bij consumenten …, blijkt dat, in strijd met artikel 64, §2, van bovengenoemde wet, niet alle aangezochte kredietgevers door ... in kennis gesteld werden van het bedrag van de andere kredietaanbiedingen welke zij gedurende vijftien dagen voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst had aangevraagd of ontvangen ten behoeve van dezelfde consument.

 

Overwegende dat de inbreuk op artikel 64, §2, van de wet in bovengenoemde gevallen werd gepleegd met de bedoeling het krediet te splitsen.

 

Overwegende dat de inbreuk op artikel 64, §2, van bovengenoemde wet kan weerhouden worden voor twee van de zeven voornoemde dossiers.

 

Overwegende dat de burgerlijke sanctie van artikel 99 van de wet van toepassing is op inbreuken op artikel 64, §2, van de wet.

 

 * * *

 

Overwegende dat als derde grief wordt vastgesteld dat ..., in strijd met artikel 11, §2, van de wet, voor de kredietovereenkomsten waarvoor zij gewoonlijk bemiddelde, niet het krediet gezocht heeft dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de consument op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst.

 

Overwegende dat de werkwijze waarbij ... bewust informatie betreffende de kredietwaardigheid van de consument achterhoudt bij de aangezochte kredietgevers, in strijd met artikel 64, §1, van de wet, betekent dat zij haar verplichtingen als kredietbemiddelaar, bepaald in artikel 11, §2, van de wet, niet respecteert.

 

Overwegende dat de praktijk van het opsplitsen van een kredietaanvraag door een bemiddelaar onder verschillende kredietgevers, teneinde verscheidene kredietaanbiedingen te bekomen daar waar een enkel aanbod wegens de te beperkte terugbetalingsmogelijkheden in hoofde van de consument niet tot stand zou komen, flagrant in strijd is met de beginselen vervat in artikel 11 van de wet, onverminderd de toepassing va artikel 64, §2, van de wet (zie Memorie van Toelichting, Parl. Doc. Senaat, 1989-1990, nr.916-1, p.16).

 

Overwegende dat ... een kredietbedrag van 250.000 frank, waarvan bovendien 12.926 frank werd afgehouden voor een opgelegde schuldsaldoverzekering, voorstelde aan consument … terwijl deze, in het verhoor van 14 december 1999, verklaart dat hij slechts een kredietbedrag van 200.000 frank wenste.

 

Overwegende dat in het verhoor van 10 mei 2000, de heer …, op de vraag waarom hij een schuldsaldoverzekering afsluit met mevrouw ... die niet verzekerbaar is en bovendien het wettelijk maximale jaarlijkse kostenpercentage aanrekent voor een autolening waarvoor de gangbare percentages veel lager liggen, verklaart dat “deze vrouw nergens geld kreeg en blij mag zijn dat ze een lening kreeg en daarom ook maar het maximum tarief moet betalen, dat ze genoteerd was geweest en dat hij dit als een soort ereloon ziet”.

 

Overwegende dat in het verhoor van 20 oktober 1998, opgenomen in bijlage 5 bij Pro-Justitia 99/175 van 1 juni 1999, de heer ..., afgevaardigd bestuurder van ..., verklaart dat hij zelf krediet verleende om mensen te helpen die elders geen krediet konden bekomen.

 

Overwegende dat, gelet op het voorgaande, ..., op de hoogte was van de slechte financiële toestand van de consumenten maar, desondanks, zelf krediet verleende aan deze consumenten en hen bijgevolg doorverwees naar zichzelf om krediet te bekomen, zodat ... ook in deze gevallen als kredietbemiddelaar niet het meest geschikte krediet zocht aangepast aan de financiële toestand van de consument.

 

Overwegende dat derhalve de inbreuk op artikel 11, §2, van de wet mag weerhouden worden.

 

Overwegende dat de burgerlijke sanctie van artikel 92, 2°, van de wet van toepassing is op inbreuken op artikel 11, §2, van de wet.

 

* * *

 

Overwegende dat als vierde grief wordt vastgesteld dat uit de verklaringen van  de 24 steekproefsgewijs ondervraagde consumenten, in strijd met artikel 31 van de wet, blijkt dat ..., bij het sluiten van een kredietovereenkomst, de consumenten verplichtte een andere overeenkomst te ondertekenen bij een door hem aangewezen derde, zonder dat de kosten ervan werden opgenomen in de totale kosten van het krediet.

 

Overwegende dat 15 van de 24 ondervraagde consumenten verklaarden dat de schuldsaldoverzekering werd opgelegd of als vanzelfsprekend werd voorgesteld.

 

Overwegende dat voor drie van voornoemde 15 consumenten zelfs een tweede schuldsaldoverzekeringen diende afgesloten te worden, hetzij door de borg, hetzij door de mede-ontlener.

 

Overwegende dat één van voornoemde 15 consumenten, mevrouw ..., bovendien invalide en bijgevolg niet verzekerbaar blijkt door het voorgestelde contract waarin zij dient te verklaren in goede gezondheid te zijn en over alle fysische vermogens te beschikken.

 

Overwegende dat consument … verklaart, in het verhoor van 14 december 1999, dat het verzekeringscontract reeds ingevuld was, zodat mag aangenomen worden dat ook de verzekeraar reeds bepaald was.

 

Overwegende dat, naast twee consumenten die gezien hun ouderdom geen schuldsaldoverzekering dienden af te sluiten, slechts drie van de 24 ondervraagde consumenten verklaarden zich niet verplicht gevoeld te hebben of, zonder meer, akkoord gingen met de voorgestelde schuldsaldoverzekering.

 

Overwegende dat, inzake alle voorgaande gevallen waarbij de consumenten verklaarden dat de verzekering opgelegd of als vanzelfsprekend voorgesteld werd, de kosten van de verzekering niet werden opgenomen in de totale kosten van het krediet.

 

Overwegende dat, in het verhoor van 10 mei 2000, de heer ... verklaart dat hij enkel met verzekeraars … en … samenwerkt, hetgeen ook blijkt uit de onderzochte dossiers.

 

Overwegende dat het voorgaande aantoont dat ..., bij het sluiten van een kredietovereenkomst, de consumenten verplichtte een andere overeenkomst, meer bepaald een schuldsaldoverzekering, te ondertekenen bij een door hem aangewezen derde, meer bepaald … of…, zonder dat de kosten ervan werden opgenomen in de totale kosten van het krediet.

 

Overwegende dat derhalve de inbreuk op artikel 31 van de wet mag weerhouden worden.

 

Overwegende dat de strafrechtelijke sanctie van artikel 101, § 1, 5°, van de wet van toepassing is op inbreuken op artikel 31 van de wet.

 

* * *

 

Overwegende dat als vijfde grief wordt vastgesteld dat ..., in strijd met artikel 5, §2, van de wet, in haar reclame waarin een intrestvoet of elk ander cijfer met betrekking tot de kosten van het krediet wordt genoemd, nalaat, op een goed zichtbare wijze, het jaarlijkse kostenpercentage te vermelden.

 

Overwegende dat een reclameboodschap die door ... naar consument ... werd gestuurd, melding maakt van een voorkeursbehandeling inzake consumentenkrediet, maar nalaat bij de kredietbedragen en de maandelijkse aflossingen, de bijhorende jaarlijkse kostenpercentages te vermelden, in strijd met artikel 5, §2, van de wet.

 

Overwegende dat, wat voornoemde voorkeursbehandeling betreft, de bijzondere voorwaarden waaraan het consumentenkrediet onderworpen is, in strijd met artikel 5, § 1, 3°, van de wet, niet vermeld werden zodat de consument niet kan weten waaruit deze voorkeursbehandeling bestaat.

 

Overwegende dat zich in het dossier van consument ... een reclameboodschap bevindt waarop, eveneens in strijd met artikel 5, § 2 van de wet, de representatieve voorbeelden ontbreken die noodzakelijk zijn om de berekening van de vermelde jaarlijkse kostenpercentages van de kredietopening na te gaan.

 

Overwegende dat, in deze reclame, de vermelde jaarlijkse kostenpercentages van de leningen op afbetaling, in strijd met artikel 5, §2, van de wet, voor vijf van de zes vermelde kredietbedragen verkeerd berekend werden en dat, bovendien, het vermelde jaarlijkse kostenpercentage van het kredietbedrag van 601.000 frank lager ligt dan het werkelijke, hetgeen bovendien een inbreuk inzake misleidende reclame,

 

in strijd met artikel 23, 2°, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken de voorlichting en de bescherming van de consument, betekent.

 

Overwegende dat derhalve de inbreuken op artikel 5 van de wet mogen weerhouden worden.

 

* * *

 

Overwegende dat uit Pro-Justitia nr. 99/175 van 1 juni 1999 blijkt dat de toen vastgestelde inbreuken op de artikelen 31 en 64 van de wet, in het verhoor met de heer ... op 20 oktober 1998, aan hem bekend gemaakt werden en een lezing werd gegeven van beide artikelen.

 

Overwegende dat, desondanks, voor vijf van de zeven hierboven onderzochte consumenten, de in dit besluit vastgestelde inbreuken op artikel 64 van de wet, alsook alle in dit besluit vastgestelde inbreuken op artikel 31 van de wet, gebeurden na datum van 20 oktober 1998.

 

Overwegende dat uit het bericht van 12 februari 2001 vanwege de Nationale Bank van België met gegevens inzake de registratie in het bestand van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de in het onderzoek naar kredietsplitsing opgenomen consumenten, blijkt dat consumenten … geregistreerd werden ingevolge de opeisbaarheid van een kredietovereenkomst die tot stand kwam door bemiddeling van ... en die onderwerp uitmaakte van inbreuken op artikel 11, §2, en artikel  64 van de wet.

 

Overwegende dat de artikelen 11, §2, en 64 van de wet een belangrijke rol spelen in het licht van de consumentenbescherming vermits een inbreuk op deze artikelen, gelet op het voorgaande, een aanzienlijke bijdrage tot de problematiek van de overmatige schuldenlast kan betekenen.

 

Overwegende dat artikel 107, §3, van voornoemde wet bepaalt dat de doorhaling of de opschorting van de inschrijving een duur heeft van hoogstens een jaar.

 

Overwegende dat, gelet op de ernst de vastgestelde inbreuken in het raam van de consumentenbescherming, alsook op het feit dat geen rekening werd gehouden met de reeds eerder vastgestelde inbreuken op de artikelen 31 en 64 van de wet waarvan betrokkene op de hoogte werd gebracht tijdens het voorgaande onderzoek, een administratieve sanctie van doorhaling van de inschrijving moet weerhouden worden ten aanzien van de vennootschap ..., voor een duur van 6 maanden.

 

Besluit :

 

Artikel 1. - De inschrijving nr. …, toegestaan aan ..., wordt doorgehaald voor een duur van 6 maanden.

Artikel 2. - Dit besluit treedt in werking de tiende dag volgend op die gedurende welke het bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.