Geannoteerd Wetboek Consumentenkrediet
ARTIKEL 1, 1° : DE CONSUMENT
Artikel 1, 1° : de definitie van de consument

Definitie
Hoofdzakelijk privé-doeleinden
Wanneer wordt de hoedanigheid beoordeeld?
Voorbeelden - rechtspraak
Voorbeelden - advies van administratie

Definitie: De door de wet beoogde consument wordt door twee criteria gedefinieerd. Het moet gaan om een natuurlijke persoon. Rechtspersonen, inclusief vzw’s behoren dus niet tot het toepassingsgebied van de wet. Het tweede criterium vereist dat de natuurlijke persoon handelt met een oogmerk dat vreemd is aan zijn handels-, beroeps- of ambachtelijke activiteiten.(zie het begrip van de consument in het Europese recht).

Bovenaan

Hoofdzakelijk privé-doeleinden: De parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat de personen die hoofdzakelijk voor privé-doeleinden geld lenen als consumenten moeten worden beschouwd(Parl. St., Senaat, 1989/1990, 916/1, 2.). Het doel van de kredietovereenkomst is dus bepalend. De wetgever beoogt dus ook  het gemengde gebruik voor zover het gebruik van het krediet voor beroepsdoeleinden ondergeschikt is aan het gebruik voor privé-doeleinden. Dit doel werd behouden bij de omzetting van de richtlijn 2008/48/EG. De Memorie van toelichting rechtvaardigt deze aanpak: deze nieuwe richtlijn regelt op geen enkele wijze de kredietovereenkomsten die maar ten dele een beroepsmatig karakter hebben. Deze materie valt derhalve  uit de harmonisatie en laat de lidstaten toe om dat gedeelte vrij te regelen (Memorie van Toelichting, Parl. St., Kamer, 2009-2010,2468/001, p.11). De beoordeling dient steeds in concreto te gebeuren.. In de praktijk zal soms een onderzoek vereist zijn om uit te maken of de WCK al dan niet van toepassing is op een concreet krediet. (...) Indien dit onderzoek uitwijst dat het gaat om een gemengd gebruik, (bijvoorbeeld de wagen die door een bakker op krediet werd aangekocht voor zowel beroeps- als privédoeleinden) dan is de WCK niet van toepassing wanneer het privé-gebruik bijkomstig is ten opzichte van het beroepsmatig gebruik. (Verslag Commissie, Parl. St., Senaat, 1989-1990, 916/2,170)

Bovenaan

Wanneer wordt de hoedanigheid beoordeeld ? Op het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten dient te worden bepaald of de kredietnemer al dan niet een consument is volgens de definitie van de wet (Rb. Brus. (1ste k.), 6 maart 1997, Pas., 1996, III, 42). De wijzigingen aan de bestemming van het krediet na de totstandkoming van de overeenkomst blijven zonder gevolg voor de toepassing van de wet. Een krediet verleend voor privédoeleinden blijft aan de wet onderworpen, zelfs wanneer het nadien wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden en omgekeerd (Lettany, op.cit., p. 8; BLOMMAERT D.  en NICHELS F., Kroniek van het consumentenkrediet (1995-1999), T.B.H. 2000, december 92). Gezien het gaat om bepalingen die hoofdzakelijk betrekking hebben op de openbare orde, is het aan de kredietgever om de kredietnemer de nodige vragen te stellen teneinde het toepasselijke wettelijke kader te kunnen bepalen voor het krediet dat hij van plan is te verlenen (Arr. Brussel, 3 oktober 1994, Pas., 1994, III, 33). Het is aan de kredietgever om zich te verzekeren van het wettelijke kader dat van toepassing zal zijn op het krediet dat hij van plan is te verlenen (Lettany,ibid, p. 8). Daarenboven verbindt artikel 15, eerste lid, de kredietgever ertoe de kredietovereenkomst te kiezen die het best is afgestemd op het doel van het krediet. Hij mag deze verplichting enkel uitvoeren door de consument op voorhand te vragen naar de redenen van zijn aanvraag.

Bovenaan

Voorbeelden - rechtspraak:

  • De vrederechter van Sint-Jans-Molenbeek (Vred. St-Jans-Molenbeek, 17 mei 1994, T. Vred., 1996, p. 128) weigerde de wet op het consumentenkrediet toe te passen op een krediet dat was verleend aan een kinesitherapeut-osteopaat in het kader van zijn beroepsactiviteiten als bestuurder van de vennootschap waarin hij zijn beroepsactiviteiten had ondergebracht.
  • De arrondissementsrechtbank van Luik daarentegen, heeft de wet op het consumentenkrediet toegepast op een krediet dat was verleend aan een persoon om schulden terug te betalen van een handelsactiviteit die hij had stopgezet (Arr. Luik, 21 september 1994, Pas., 1994, III, 21).
  • De arrondissementsrechtbank van Neufchâteau heeft geoordeeld dat "le fait d’apporter une aide financière à un enfant (in werkelijkheid met het doel hem toe te laten zijn handelsactiviteit te financieren) constitue un usage privé" (Arr. Neufchâteau, 27 april 1999, T. Vred. 2000, december 99).
  • Arr. Luik, 9 februari 1995, Jaarboek kredietrecht, 1996, p. 135: de rechtbank oordeelt dat de WCK van toepassing is op een krediet dat voor 7/10e  heeft gediend voor privé-doeleinden met een bedrag dat werd gebruikt voor de afkoop van een verzekeringsportefeuille.
  • Vred. Jumet, 23 januari 2001, Jaarboek kredietrecht, 2001, p. 83: de wet van 12 juni 1991 inzake het consumentenkrediet is van toepassing op de kredietovereenkomst gesloten door de kredietnemer voor private en professionele doeleinden wanneer het hoofdgebruik van het krediet vreemd is aan de beroepsactiviteit van de kredietnemer, wat niet het geval is wanneer het deel van het krediet dat voor privédoeleinden werd gebruikt slechts 12% bedraagt van het totale bedrag dat de kredietnemer heeft geleend.
  • Een borgstellingsovereenkomst die werd gesloten als waarborg voor de terugbetaling van een krediet, valt niet onder het toepassingegebied van de richtlijn 87/102/EG. De borgsteller, een natuurlijk persoon, kon dus geen aanspraak maken op de bijzondere beschermingsbepalingen voor consumenten vervat in de richtlijn: een uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn naar borgstellingsovereenkomsten kan niet louter zijn gebaseerd op de bijkomstige aard ervan ten opzichte van de hoofdverbintenis waarvan ze de uitvoering garandeert, daar een dergelijke interpretatie immers op geen enkele manier wordt ondersteund door de tekst van de richtlijn, (…) evenmin als door de opzet of de doelstellingen ervan (H.J.E.G., 23 maart 2000,  C - 208/98, Berliner Kindl Brauerei AG/Andreas Siepert).
  • Het krediet dat werd verleend aan een persoon met het doel liquide middelen ter beschikking te stellen aan een vennootschap die de bron is van beroepsinkomsten van de kredietnemer, vormt geen krediet vreemd aan zijn handels-, beroeps- of ambachtelijke activiteiten (Gent, 13 september 2006, RABG 2007,  7, 495,  noot BLOMMAERT).

Bovenaan

Voorbeelden – Advies van de administratie:

Het krediet dat wordt gebruikt om te investeren in producten van tak 21 of 23, is een consumentenkrediet, behalve indien de investering een hoofdzakelijk beroepsmatig doel beoogt of indien het is verleend in het kader van een hypothecair krediet voor het verwerven of behouden van onroerende goederen voor hoofdzakelijk privédoeleinden.

Niet het statuut van de persoon maar de bestemming van het krediet is bepalend voor de toepassing van de wet. Het is dus aan de kredietgever om de persoon ominformatie te vragen, teneinde te bepalen welk juridisch kader van toepassing is op de overeenkomst. Het is aan de kredietgever om aan te tonen dat het door hem verleende krediet ter beschikking is gesteld voor beroepsdoeleinden en dat de voorschriften van openbare orde van de WCK niet van toepassing zijn op de overeenkomst.

Bovenaan