Geannoteerd Wetboek Consumentenkrediet
ARTIKEL 10 : DE PLICHT ZICH TE INFORMEREN
ARTIKELEN 10 EN 68 : DE CENTRALE VOOR KREDIETEN AAN PARTICULIEREN - RAADPLEGING – INFORMATIE

Principe
Doel van de Centrale
Het bestand van niet-gereglementeerde kredieten
De rol van de Nationale Bank
Voorafgaande verplichte raadpleging van de Centrale voor Kredieten
Informatie bij het sluiten van de overeenkomst
Informatie bij de registratie van een wanbetaling
Vermelding van de raadpleging
Sancties



Principe
: Krachtens artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, teneinde informatie te verkrijgen over de financiële toestand en de solvabiliteit van de kredietnemer, raadplegen de kredietgevers de Centrale vooraleer zij een consumentenkredietovereenkomst sluiten of een aanbod van hypothecaire kredietovereenkomst overhandigen. De Koning stelt de nadere regels vast betreffende deze raadpleging. Deze raadpleging is zelfs verplicht voor gedeeltelijk gereglementeerde kredietovereenkomsten

Vanaf de wet van 1991 (krachtens artikel 71, opgeheven door de wet van 10 augustus 2001) was deze raadpleging vereist, maar toen was het een exclusief negatief bestand en de raadpleging was niet verplicht voor gedeeltelijk gereglementeerde kredieten, noch voor hypothecaire kredieten. In de wet van 10 augustus 2001 wordt de Centrale georganiseerd als een volledig bestand, negatief zowel als positief: de kredietgevers moeten alle aan consumenten toegestane kredietovereenkomsten registreren en moeten daarenboven de Centrale op de hoogte brengen van wanbetalingen. De Centrale omvat ook de berichten voor collectieve schuldenregeling (art. 19 van de wet van 5 juli 1998). Het meedelen van gegevens aan de Centrale is verplicht. De kredietgever beschikt over geen enkele beoordelingsbevoegdheid, ook al worden de verschuldigde bedragen kort na de vaststelling van de wanbetaling vereffend (Luik, 9 september 2003, J.L.M.B., 2004, 1054 en noot P.DEJEMEPPE, Le caractère objectif de l'enregistrement des défauts en matière de crédit à la consommation). De kredietgever gaat daarentegen in de fout wanneer hij aan de Centrale meedeelt dat van een overeenkomst wordt opgezegd, terwijl uit de feiten blijkt dat hij eigenlijk aanvaardt de uitvoering verder te zetten (Rb. Brussel, 15 oktober 2003, J.T. 2004, 140). Sedert de hervorming van de WCK door de wet van 13 juni 2001, kan de Centrale voor Kredieten aan Particulieren eveneens de identiteit registreren van de zekerheidssteller (zakelijke of persoonlijke), in het kader van een consumentenkrediet of hypothecaire krediet. Deze bepaling is nog niet van kracht.

Bovenaan

Doel van de Centrale: Uit de ervaring met de negatieve Centrale die sinds 1985 in werking is, bleek dat bij de kredietaanvraag de verleiding groot was het bestaan van lopende kredieten te verbergen, teneinde een nieuw krediet te verkrijgen om de ontstane terubetalingsproblemen op te lossen. Door de systematische registratie van kredietovereenkomsten te verplichten, wilde de wetgever de informatie van de kredietgever objectiveren. De wet benadrukt tegelijkertijd de verantwoordelijkheid van de kredietgever bij het beoordelen van de kredietopportuniteit waarvan het principe in artikel 15 wordt uitgelegd: De kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, onder meer op basis van de raadpleging geregeld door artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor kredieten aan particulieren, en op basis van de informatie bedoeld in artikel 10, redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, na te komen. Het blijft echter zo dat de Centrale enkel de consumentenkredieten registreert en geen informatie bevat over heel wat andere schulden die van belang kunnen zijn (huurachterstand, belastingsachterstand, achterstallige sociale zekerheidsbijdragen, energiekosten, telefoonrekening, alimentatiegeld enz.).

Bovenaan

Het bestand van (door de WCK) niet-gereglementeerde kredieten: Sinds 1 september 2004, beheert de Nationale Bank van België het bestand van de “niet-gereglementeerde registraties” (ENR) op basis van een met de kredietgevers gesloten overeenkomst. In dit bestand is een deel van de gegevens opgenomen die voordien werden beheerd door de Beroepsvereniging van het krediet in het kader van het bestand “Centrale voor Uitwisseling van Gegevens over het Risico”, dat sinds 31 augustus 2004 niet meer actief is. Dit bestand verschilt van dat van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. In het ENR-bestand worden de gegevens opgenomen over wanbetalingen in het kader van overeenkomsten voor consumentenkrediet en hypothecair krediet, die niet zijn gereglementeerd door de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, waaronder, meer bepaald, kredietopeningen van minder dan 1.250 EUR en terugbetaalbaar binnen een termijn niet langer dan drie maand, gesloten tussen natuurlijke personen, alsook de identificatiegegevens van deze personen. Ook de wanbetalingen bij kredietovereenkomsten met een beroepsdoeleinde worden erin opgenomen. Het ENR-bestand is een extern bestand dat niet is onderworpen aan de WCK aangezien het geen gegevens behandelt betreffende het consumentenkrediet in de zin van de WCK. (zie: de site van de Nationale Bank).

Bovenaan

De rol van de Nationale Bank: De wet van 10 augustus 2001 kent de Nationale Bank geen bevoegdheid toe om op eigen initiatief, foutieve registraties te corrigeren of te schrappen. De Nationale Bank beschikt daarenboven over geen enkele informatie op basis waarvan ze een registratie kan beoordelen. Deze informatie is in handen van de kredietgever die de informatie aan de Nationale Bank doorgeeft. De aanvraag tot verbetering moet dus aan de kredietgever worden gericht, en in geval van een rechtsvordering, wordt de kredietgever aangewezen als verantwoordelijke voor de verwerking ervan.

Bovenaan

Voorafgaande verplichte raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren: De raadpleging van het bestand is verplicht (art. 9 van de wet van 10 augustus 2001). De kredietgever mag niet voor een alternatief kiezen en een andere gegevensbank raadplegen. De raadpleging van de Nationale Bank is in alle gevallen verplicht, zelfs indien het gaat om een vertrouwde en bekende klant van de kredietgever (Vred. Izegem, 6 januari 1999, Jaarboek Kredietrecht, 1999, p. 53,  noot J. T’JAMPENS). Deze raadpleging moet binnen hoogstens 20 dagen voor het sluiten van de kredietovereenkomst gebeuren, maar in elk geval vóór het sluiten van de overeenkomst. Een raadpleging achteraf voldoet niet aan de wettelijke vereiste waardoor de in de wet voorziene sanctie kan worden toegepast, zelfs indien op de datum waarop de raadpleging moest gebeuren geen enkele wanbetaling zou zijn vastgesteld. Ook hier gaat het om een resultaatverbintenis waarvan de goede uitvoering wordt bewezen door het voorleggen van de mededeling die van de Centrale werd bekomen bij de raadpleging.

Bovenaan

Informatie bij het sluiten van de overeenkomst: Krachtens artikel 6, §1 van de wet van 10 augustus 2001, moet in elke kredietovereenkomst die moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 3, § 1, 1° of 2°, een reeks vermeldingen worden opgenomen hetzij :

1° de clausule : " Deze overeenkomst maakt het voorwerp uit van registratie in de Centrale voor Kredieten aan Particulieren overeenkomstig artikel 3, § 1, 1° of 2°, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. ";
  2° de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
  3° de naam van de Centrale;
  4° het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste.

De administratie heeft enkele kredietgevers eraan moeten herinneren dat enkel gesloten overeenkomsten bij de Centrale moeten worden geregistreerd, dat wil zeggen, overeenkomsten waarmee beide partijen hebben ingestemd, instemmingen die worden gesymboliseerd door de ondertekening van een schriftelijk document. De Belgische wetgever heeft immers niet het Duitse systeem (SHUFA) willen overnemen waarin ook kredietaanvragen worden geregistreerd.

Bovenaan

Informatie bij de registratie van een wanbetaling: Bij de registratie van de eerste wanbetaling betreffende een kredietovereenkomst, schrijft artikel 6 §2 van de wet van 10 augustus 1991 voor de consument in te lichten over:

- de referentie van de betreffende overeenkomst;
- de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
- de naam en het adres van de persoon die de gegevens heeft meegedeeld;
- het bestaan van een recht op toegang, recht op verbetering en recht op uitwissing, alsook van de bewaringstermijnen van de gegevens.

Bovenaan

Vermelding van de raadpleging: Voor de hervorming ingevoerd door de wet van 13 juni 2010, was de datum van de raadpleging van de bank een inlichting die verplicht vermeld diende te staan in de overeenkomst, krachtens artikel 14, § 1, 10° WCK. In meerdere vonnissen werd geoordeeld dat deze vermelding alleen niet voldoende was om de effectieve raadpleging van de Centrale aan te tonen, noch de datum van raadpleging te bewijzen. Sedert de wet van 13 juni 2001 wordt deze vermelding niet meer vereist in de kredietovereenkomst waarvan de inhoud het resultaat is van de harmonisatie, opgelegd door richtlijn 2008/48/EG. Teneinde een einde te stellen aan de controverse betreffende de bewijsmodaliteiten, die de kredietgever toelaat de daadwerkelijke raadpleging van de Centrale aan te tonen, werd artikel 15 WCK aangepast om de Koning de mogelijkheid te bieden te bepalen op welke wijze de kredietgever het bewijs levert van de raadpleging van de Centrale evenals de termijn gedurende dewelke dit bewijs dient bewaard te worden. In artikel 15 van het K.B. van 21 juni 2011 heeft de Koning gesteld dat de kredietgever het bericht van raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren bewaart gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst, en tenminste gedurende drie jaar, op papier of een andere duurzame drager, , met opgave van, op zijn minst, de unieke identificatiecode, het ogenblik van raadpleging en identiteitsgegevens van de persoon op wiens naam werd geraadpleegd. De memorie van toelichting bij de wet verduidelijkt het tweede lid vervangt in feite artikel 14, § 2, 10° WCK en moet aan de bevoegde rechtbanken en de bevoegde ambtenaren toelaten om na te gaan of de kredietgever wel degelijk de Centrale voor Kredieten aan Particulieren heeft geraadpleegd, en, zo ja, wanneer en voor welke personen (Parl. St., Kamer, (52), 2468/001, p. 37).

Bovenaan

Sancties: Het niet-raadplegen of laattijdig raadplegen van de Centrale wordt bestraft door artikel 16 van de wet van 10 augustus 2001: Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, kan de rechter ambtshalve de kredietnemer ontslaan van het geheel of van een gedeelte van de nalatigheidsinteresten en zijn verplichtingen verminderen tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag wanneer de kredietgever de verplichtingen bedoeld in artikel 9 niet heeft nageleefd. Zie ook de strafbepaling van art. 15

Bovenaan